Veelzijdig bruikbaar

 

Tot dusver blijken de olmen in het bos een ondergeschikte rol te spelen. Er zijn echter een hele reeks argumenten die erop wijzen dat dat kan veranderen: er zijn olmensoorten, die sneller groeien dan de meeste loofboomsoorten. Olmenhout is van hoge kwaliteit en niet alleen voor de meubelindustrie. Olmenhout werd gebruikt voor scheepsbouw en de olmenstammen doen ook al meer dan 400 jaar dienst als fundament voor bruggen in Venetië en Rialto. Vele andere boomsoorten lijden in sterke mate onder schadelijke organismen en ziekten. Tot dusver zijn er daar geen gekweekte soorten met de noodzakelijke resistenties.

Bij de olmen is dit anders – daarvan zijn er wel kweeksoorten met goede resistenties en eigenschappen die kunnen weerstaan aan de problemen van de klimaatverandering in het bos. Sinds het midden van de vorige eeuw tonen olmen, die sinds het eind van de jaren ’20 wereldwijd werden gekweekt, hoe groot hun potentieel is in parken, langs straten, in steden en daarbuiten. Desondanks hebben nog maar weinig olmen hun weg naar het bos en het open landschap gevonden.
 
V E R D E R   L E Z E N  >

Olmen voor Vorst en Land

 

Waarom zijn er zo weinig olmen?

 

  • Alle gekweekte soorten zijn klonen die vegetatief worden vermeerderd en daarom genetisch identiek zijn.
  • Al deze soorten hebben minstens een ouder die uit Azië stamt en daarom niet bij de inheemse flora en fauna past.
  • Deze olmen worden via stekvermeerdering gekweekt en worden op latere leeftijd aangeboden aan prijzen ver boven de andere bosplanten, die uit zaad worden vermeerderd.

 
Op deze drie argumenten wil ik nader ingaan.

1. Genetische verscheidenheid

Elke boom is genetisch eenduidig bepaald. Elke nakomeling die vegetatief wordt gewonnen, is genetisch gelijk, terwijl een nakomeling die uit zaad wordt gewonnen, zich van de moederboom onderscheidt. Prof. Eugene B. Smalley, een van de bekendste olmenkwekers, zei ooit tegen me „it is my dream that my babies by free crossing with indigenous elms help to bring new generations of elm into the woods which are able to cope with Dutch Elm disease“. Het schijnt dat deze droom nu al in vervulling gaat: veel olmen in de omgeving van onze boomkwekerij groeien uit zaden, waarbij de moederboom een resistente soort is en de pollen van onze inheemse ulmus minor stamt. In testen die van 2008 tot 2010 liepen, toonden deze olmen een hoge resistentie aan.

Men kon de genetische verscheidenheid ook bevorderen door steeds meer verschillende soorten te planten. Er zijn andere bostypes waarbij deze procedure reeds werd gebruikt.
 

2. Inheemse bomen

In tijden van snelle klimaatverandering wordt dit begrip steeds vager, vooral bij bomen die al meerdere decennia, soms zelfs eeuwenlang, leven. Natuurlijk is het belangrijk dat de bomen in hun omgeving passen. Het is ook essentieel dat ze in harmonie zijn met de insecten, want alle geplante olmen moeten een thuis bieden aan meer dan 40 specifieke insecten. In 1995 heeft de Directeur van Bossen Kettering in Bellheim de olmbladkever (xanthogaleruca luteola) bij de olm ’Sapporo Autumn Gold’ gevonden. Dit is opmerkelijk omdat tot nu toe werd aangenomen dat deze gevoelige kever monofaag op de ulmus carpinifolia (minor) leeft. In 1993 organiseerde het Hessische Versuchsanstalt een symposium met de titel „Is het nog mogelijk om de olm te redden?“. Een resultaat was dat de kweek van resistente olmen het antwoord is en daarom vroegen de wetenschappers om zo’n olmen te planten.

Als de Scolytus scolytus, de kever die de iepenziekte overdraagt, geen olmen meer vindt, sterft hij uit. Dit is reeds in Slovakije gebeurd.

De snelle klimaatverandering waarmee we de komende decennia rekening mee moeten houden, maakt het voor bomen quasi onmogelijk om zich aan te passen doordat ze ca. 100 jaar nodig hebben om drie generaties te creëren. Dit vereist dat er nu al bomen worden geplant die zich in 50 jaar onder de dan heersende omstandigheden goed zullen voelen. De inheemse soorten van vandaag zullen zich bv. in 2080 hier zeker niet meer even goed voelen. Op zijn minst zal een verantwoordelijke boseigenaar de inheemse bomen met bomen van andere herkomsten en soorten mengen, om zo het bos in balans te houden.
 

3. Prijs

De prijs van een te planten boom moet in verhouding met de groeisnelheid, kwaliteit en kwantiteit van het hout en de potentiële prijs worden gezien. Met enkele variëteiten van de resista® olm hebben we reeds goede waarden behaald: bij een rij bomen van 3 verschillende soorten hebben we een stamomvang van 140 cm op een leeftijd van 25 jaar behaald. De houtkwaliteit is over het algemeen zeer goed: voor meubels charmeert niet alleen de kleur en de tekening, maar ook de hardheid en de stabiliteit. Ook voor buitenshuis, de scheepsbouw, speelplaatsmeubels en werktuigen is het olmenhout geschikt. In 2013 is een kubieke meter olmenhout voor 800 € gestegen uit het bos.

Daarbovenop lijkt het dat andere boomsoorten het lot van de olmen lijken te volgen en dat ze problemen met het milieu, ziektes of insecten krijgen: es, kastanje, plataan, eik. Om hiervan resistente, robuuste soorten te kweken, is een tijdspanne van minstens 40 jaar nodig, zelfs met het gebruik van de afgekeurde gentechniek.

3-jarige planten van de olm zijn duur voor bossen. Men zou het moeten overwegen en planten aankopen die reeds groot genoeg zijn zodat er geen problemen met de grasconcurrentie of hazen en reeën zijn. Uitgeplant op een ruimte van 4 x 4 m (gekoppeld aan andere soorten) kan zo een doorgaans aanvaardbare investering ontstaan. In het bijzonder als er na 22 jaar al een opbrengst kan worden verwacht.
 

C H R I S T O P H   E I S E L E   /   D E C E M B E R   2 0 1 6